Dakwoordenboek
Daktaal, gewoon uitgelegd.
Begrijp de woorden op uw offerte en tijdens de dakopname.
- APP
- Een kunststofmodificatie van bitumen. De geschiktheid hangt af van het gekozen dakbedekkingssysteem.
- Afschot
- De lichte helling die regenwater op een dak naar de afvoer leidt.
- Ballast
- Gewicht dat in een ontworpen systeem helpt onderdelen op hun plaats te houden.
- Boeiboord
- Afwerkdeel langs de dakrand; de onderliggende constructie en waterkering blijven belangrijk.
- Dakbeschot
- De dragende of ondersteunende plaat- of planklaag waarop een dakopbouw aansluit.
- Dakdoorvoer
- Een opening door het dak voor bijvoorbeeld ventilatie of een leiding, met een waterdichte aansluiting.
- Daktrim
- Randprofiel bij een plat dak dat onderdeel is van de afwerking van de dakbedekking.
- Dakvlak
- Een afzonderlijk plat of hellend oppervlak van het dak.
- Dakvoet
- De onderste rand van een hellend dak, meestal bij de dakgoot.
- Dampopen folie
- Folie die water van buiten kan keren en tegelijk waterdamp kan doorlaten volgens de productspecificatie.
- Dampremmende laag
- Laag die het transport van waterdamp beperkt; plaats en uitvoering moeten bij de dakopbouw passen.
- Dilatatie
- Voorziening die beweging tussen bouwdelen of materialen kan opvangen.
- EPDM
- Een synthetisch rubber dat als dakbedekking wordt toegepast.
- Gootstuk
- Aansluitonderdeel rond bijvoorbeeld een dakraam dat water naar de dakbedekking leidt.
- Hemelwaterafvoer
- Het systeem van uitlopen, goten en leidingen voor regenwater.
- Kilgoot
- Waterafvoerende aansluiting waar twee naar binnen aflopende dakvlakken elkaar ontmoeten.
- Koudebrug
- Een plek waar warmte relatief gemakkelijk door de constructie wordt geleid.
- Loodslab
- Een strook lood voor de waterkerende aansluiting tussen bouwdelen.
- Luchtdichting
- Het beperken van ongewenste luchtstromen door kieren en aansluitingen in de gebouwschil.
- MJOP
- Meerjarenonderhoudsplan: een planning voor toekomstig onderhoud en de bijbehorende kosten.
- Nok
- De bovenste lijn waar twee hellende dakvlakken samenkomen.
- Nokvorst
- Een dakpan voor de afwerking van de nok.
- Noodoverloop
- Aanvullende afvoerroute die onderdeel kan zijn van het ontwerp van een plat dak.
- Opstand
- Een omhooglopend deel van de dakopbouw bij een rand, gevel of opening.
- Overlagen
- Nieuwe dakbedekking over bestaande lagen aanbrengen, alleen wanneer de ondergrond geschikt is.
- PIR
- Een hard isolatieschuim dat onder meer in dakisolatieplaten wordt verwerkt.
- PVC
- Kunststof die in een geschikt systeem als dakbedekking wordt gebruikt.
- Panlat
- Horizontale lat waarop dakpannen worden gedragen.
- Rc-waarde
- Warmteweerstand van een constructie, bijvoorbeeld de totale dakopbouw.
- Rd-waarde
- Warmteweerstand van een laag isolatiemateriaal bij een bepaalde dikte.
- SBS
- Een rubbermodificatie van bitumen; de product- en systeemkeuze bepalen de toepassing.
- Sedumdak
- Groendak met onder meer vetplanten, aangebracht op een daarvoor geschikte dakopbouw.
- Tengel
- Lat die onder andere afstand creëert tussen een onderlaag en panlatten.
- Verholen goot
- Een grotendeels verborgen waterafvoerende goot naast een opgaand bouwdeel.
- Vochtmeting
- Onderzoek naar vocht in materiaal; interpretatie hangt af van meetmethode en situatie.
- Warm dak
- Dakopbouw waarbij isolatie boven de dragende constructie ligt; de overige lagen moeten daarop aansluiten.
- Waterkering
- Onderdeel of laag die water tegenhoudt of naar buiten afvoert.
- Windbelasting
- Krachten die wind op een gebouw en dakonderdelen uitoefent.
- Wortelwering
- Bescherming die voorkomt dat wortels de dakopbouw aantasten.
- Zinkwerk
- Maatwerk van zink, bijvoorbeeld goten, afdekkingen en dakdelen.
Van vraag naar vakwerk
Wat heeft uw dak nodig?
Vertel ons uw plannen of stuur een foto van de klacht. Dan bespreken we samen een goede eerste stap.
